| |
recensie Toonzetters o.m. Nightwalking van André Arends NRC dd 2 sept 08
recensie Toonzetters Trouw dd 2 sept 08

voorpublicatie "Iedereen is van de Wereld" Lau&De Volharding NRC dd 21 april 08
recensie "Iedereen..." in het Fries Dagblad dd 26 mei 08
ELSEVIER . nummer 19 . 10 mei 2008
Thé Lau zanger
‘Spelen in de open lucht is het allermooiste’
Alleen op festivals speelt hij nog weleens met zijn oude, legendarische band The Scene. Verder treedt Thé Lau, naast zanger ook schrijver van liedjes en romans, al enige jaren vooral solo op, zoals nu met Orkest De Volharding. 55 jaar, maar uitgebloeid is de verlegen Lau allesbehalve. ‘de groei gaat maar door.’
Hugo Camps Foto’s Marco Bakker
Ooit sprak hij Oscar Wilde na: “Jeugd is verspild aan jonge mensen.” Zijn moeder vond dat toen te gestileerd. Toch had het een zin van Thé Lau kunnen zijn. De zanger met een sponsachtige genie voor paradoxen. ‘Van mijn vader weet ik dat hij een slechte vader was op momenten dat hij een goede vader probeerde te zijn, en dat hij een goede vader was op momenten dat hij helemaal niets probeerde. Een goeie vader is als je die harde nagels door de stof van je kleding heen voelt. ‘De liefde is voor mij überhaupt de grootste paradox. Je bemint je vrouw meer wanneer je haar gadeslaat dan wanneer je haar in de armen hebt.’ Thé Lau: ex-voorman van The Scene, nu vooral solozanger en schrijver van liedjes en boeken. Verstild in droom en daad, maar nog steeds met een onvervuld verlangen naar experiment. Dezer dagen bespeelt hij theaters met Orkest De Volharding. Een project noemt hij het: het is een orkest met historie. ‘Welnee de intimiteit van mijn liedjes wordt niet weggeblazen. Het is een kwestie van verdelen. Ik ben nu 55 en voel continu dat ik aan verandering onderhevig ben. Ik voel groei. Of dat creatief waardevol is, weet ik niet, maar de groei is er en gaat maar door.’ Verlegen en dromerig, zo kennen we hem. De rauwe stem, de grimassen van wanhoop, het wankelmoedige: het is altijd een beetje winter in het gezicht van Thé Lau. Inherente kou. Terwijl hij druipt van poëzie, soms met de klank van staaldraad, soms als zingend riet - ook weer zo’n paradox. ‘Ik wilde niet langer in een band. Een aantal jaren geleden heb ik besloten om solo te gaan. De rek was uit The Scene. In Nederland vinden mensen het niet leuk dat ze je niet meer kunnen vastspijkeren op de plek die zij in gedachten hadden. Ik speel nog wel een enkele keer met The Scene, maar alleen als het zin heeft, op festivals, en zo. Verder zie ik er het nut niet meer van in. ‘De band leed aan generatieverschillen. Er zijn ooit vreselijke dingen gezegd, er is weleens geslagen. Ik was de baas, maar ik heb niet de aard van een baas. Als er muziek gemaakt wordt in de studio neem ik het over. Op het podium veel minder. Ik heb graag een vangnet om me heen. Al is dat aan het kantelen. Nu ik met De Volharding in concertzalen speel, neem ik wél het voortouw. Ik ga geen pauzes meer inlassen om nog een paar instrumenten te stemmen.’ Rockers onder elkaar kunnen wreed zijn. ‘Nou, dat mag je wel zeggen. Maar het is not done om dat op een festival te laten zien. En het is natuurlijk niet altijd moord en doodslag. Ik was geroerd door de bijdrage van Tom Barman aan mijn cd. Hij hoefde maar één regeltje te zingen en was toch de hele dag in de studio aanwezig. Met Sarah Bettens heb ik hand in hand gestaan. Dan voel je de présence van zo’n vrouw: zachtaardig en toch ferm. ‘Het verlangen naar festivals is er nog steeds. Een rockoptreden in open lucht is het mooiste. Vooral als de schemer valt. Terwijl je aan het spelen bent, wordt het donker en gaat de podiumverlichting aan. Je komt op en je ziet de gezichten en aan het einde van het optreden zie je niets meer. Dat is het allermooiste. Geweldig!’ Een reusachtige meeuw daalt neer op het terras van het restaurant waar we zitten. Thé: ‘Zie je dat? Daar word ik nou stil van. Dat zo’n prachtige vogel de nabijheid van de mens niet schuwt: verdienen wij dat wel?’ Nochtans, hij is minder vaak versteend in sprakeloosheid dan vroeger. ‘Omdat ik nu meer nadenk voor ik iets zeg. Laatst is een goede vriend van mij overleden. Ik ging hem vaak opzoeken, maar we hadden het nooit over de dood. Dat soort vragen durf je niet te stellen. Je kropt het op, tot je wat gedronken hebt. Jawel, tekenen van genegenheid krop ik ook op tot ik wat gedronken heb. Ik ben een vrij gesloten mens. Herman Brood had een mooie uitspraak: “Ik kan mij geen schaamte permitteren.” Ik denk dat hij gelijk heeft: van schaamte ga je (mond)dood. Het scheve perspectief dat je naar anderen toe in jezelf hebt, is vaak niet terecht. Later weet je: hij was ook een klootzak. Maar daar gaan eerst een paar dagen overheen. ‘Met Hugo Claus deel ik de gedachte: Ni maître, ni Dieu. Geen bovenmens. In mijn eentje kom ik ook een eind. Ik heb nog wel een agenda, maar het is een agenda van mijn eigen keuze. Ik heb geen platenmaatschappij: als ik een plaat wil maken, maak ik gewoon een plaat. Een uitgever kan mij niet aan het schrijven zetten. Dat is luxe. Ik weet nog toen ik speelde met Neerlands Hoop. Freek kon scherp zijn, zelfs zonder drank op. Op een keer zei hij: “Vind je niet dat je erg veel verdient voor een jongen van negentien?” Ik had het wel iets profaner verwacht, van Freek. Geld boeit me niet. In 2006 heb ik genoeg verdiend om twee jaar niet te hoeven spelen. Maar ja, probeer het maar eens te laten, spelen.’ (..............) Zijn vrouw Marijke ontmoette hij halverwege de jaren tachtig. Zij was een succesvolle producent bij IDTV. Niemand begreep dat Marijke op Thé was gevallen: “Wat moet je nou, met zo’n loser?” Vertederd: ‘Zonder Marijke had ik mijn leven nooit voor elkaar gekregen. Zij leest alles van mij als eerste, doet de eerste redactie van mijn proza. In de hits ‘Iedereen is van de wereld’ en ‘Blauw’ zitten wat krukkige zinnen. Dat laat Marijke nu niet meer passeren. En natuurlijk ben ik zelf ook meer geoefend in het schrijven. Met waarnemingen op straat heb ik het soms moeilijk. Maar als ik over verzonnen situaties kan schrijven, moet er nog weinig geredigeerd worden. Van dialogen krijg ik een heuse kick.’ Thé Lau is in Vlaanderen legende bij het leven. ‘Ik voel nog steeds een tinteling van opwinding als ik de grens oversteek. Al ben ik ook wel huiverig voor het incestueuze klimaat van het Vlaamse muziekwereldje. Het zou kunnen dat we verankerd zijn in een zekere zwaarmoedigheid. Ik praat niet hard en heb niet de neiging om me met de ellebogen naar boven te werken. Het laatste is in Nederland cruciaal, in Vlaanderen is dat minder. Mijn doorbraak in Vlaanderen heeft veel voor me betekend, ook omdat ik applaus kreeg van een publiek dat meer naar Frankrijk dan naar Nederland kijkt. ‘Ik heb een avond in Parijs gezongen. In een nieuw theater, boven een eetcafé. Een hoop gedoe. Eerst zouden mijn teksten in het Frans vertaald worden. Toen ik ze onder ogen kreeg, begreep ik de helft niet van wat er stond. Ik heb dan maar gezegd: ik zing gewoon in het Nederlands. Er is alles in het werk gesteld om de Nederlandse club in Parijs naar het theater te halen. Vergeefse moeite. Er was niet één Nederlander aanwezig. Nooit heb ik zoveel succes gehad als die avond in Parijs. Toen ik na afloop in het eetcafé kwam, legden de mensen hun bestek neer, stonden op en brachten me een staande ovatie. Dat had ik zelfs in Vlaanderen nog niet meegemaakt. Op zo’n moment denk je: ik ben echt goed, ook nog in de stad van Jacques Brel.’ De onderbuik van Nederland houdt hij liever op afstand. ‘Ik denk dat dit land in paniek is. Aan de andere kant: in een zaal in Drachten kom ik weinig aanhangers van de PVV tegen. Ik ga in Amsterdam weleens biljarten in een volkscafé. Daar was destijds iedereen gevallen voor Pim Fortuin. Eerst begreep ik het niet, maar later zag ik: zij willen een leider. ‘Ik durf te zeggen dat ik de uitstraling van Rita Verdonk luguber vind. Op een avond zat ik met een aantal Bekende Nederlanders in een kamertje. Het ging erover om een asielzoeker in huis te nemen. Linkse mensen bij elkaar. Het eten was afschuwelijk: veganistische pasta. Geen humor. Linkse mensen zijn zelden leuk. Verdonk zou ook komen, maar liet nog even op zich wachten. Ik dacht meteen: dat rock- ’n- rolltrucje ken ik wel. Toen ze binnenkwam stond haar gezicht op: nee. En dat zou in de loop van de avond niet meer veranderen. ‘Ik woon in een volkswijk. Het wemelt er van Antilianen, Marokkanen, Turken. Ja, er gebeurt weleens wat, maar niet veel meer dan dertig jaar geleden. Ik denk dat Verdonk en Wilders niet veel te maken hebben met allochtonen. Ze hebben geen historisch perspectief. Dertig jaar geleden werd er op Nederlandse – dus witte – kermissen ook gevochten. Er werden zelfs messen getrokken. Uit mijn jeugd herinner ik mij dat ik op zondag vanuit mijn jongenskamertje roomse buren naar de kerk zag stiefelen. Op maandag kwamen ze onze tuin vernielen.’ Is het ondenkbare denkbaar: Thé Lau, thuis, als kanarie in de badkamer? Nee, dat is het niet. ‘Ik houd niet van zingen. Zingen is voor mij arbeid. Het is echt hard werken. Daarom zie ik er ook zo gepijnigd uit op een podium. Ik ben geen natuurtalent en kan er dus ook niet uitzien als een zingende glimlach. ‘Bij The Scene was het een ramp, Als ik ouwe opnames terughoor, ga ik door de grond. Eigenlijk ben ik pas na de breuk met de band goed gaan zingen.’ Deze zomer speelt Thé Lau de hoofdrol in een opera over Cornelis Drebbel. Cornelis wie? ‘Een interessante man, Alkmaarder. Gefascineerd door techniek. Ik weet nog steeds niet of hij een genie was of een oplichter, maar naar het schijnt heeft hij in de 17de eeuw de eerst functionerende duikboot gemaakt. Ik sta in die opera tussen mensen die als ze in Alkmaar aan het zingen gaan, ze in Amsterdam de gevel van ING kunnen laten instorten. Ik moet nog zien hoe dat moet. ‘Ach, het dubbele van mens en techniek. Mijn vrouw loopt altijd te vloeken op apparaten als computer, telefoon, dat soort nuttigheden. Over de afwasmachine, de wasmachine en de droger hoor ik haar nooit.’ Nooit heeft iemand Thé Lau op een podium horen vloeken. ‘Bij het spelen lukt het me niet om godverdomme te zeggen. Als ik proza schrijf gaat het vanzelf. Ook nog van harte.
Noord-Hollands Dagblad dd 24 april 2008
'Het moet geen rariteitenkabinet worden'
Zanger The Lau gaat op tournee met Blazersensembie De Volharding
DOOR MARK MINNEMA
The Lau, maker van Nederlandse klassiekers als 'Blauw' en 'Iedereen is van de wereld', is nooit te beroerd om zijn liedjes bloot te stellen aan een metamorfose. Een strijkersensemble? Tangokwartet? Metropole Orkest? Of toch weer met zijn oude band The Scene? The Lau is er voor te porren. Dus is hij komende maand op pad met blazersensemble Orkest De Volharding.
De zanger moppert. „Dit is jazz!." Het is de tweede repetitiedag, ergens in een onbestemd oefen-complex bij Amsterdam Sloterdijk, en De Volharding is toegekomen aan het slotakkoord van het programma 'Iedereen is van de wereld' dat vanaf deze week langs de theaters gaat. De arrangeur had blijkbaar een prachtige dissonant in gedachte, maar het staat The Lau niet aan. Niet als slotakkoord. Voor dirigent Jussi Jaatinen blijkt het geen punt: even later heeft het orkest er een klinkende harmonie van gemaakt.
„Ik wil mijn toegift niet verspelen", zegt Lau later op het terras van zijn stamkroeg. „Er staan nog twee nummers op het programma, die wil ik niet op het spel zetten."
Alle ows-over-projecten ten spijt, daar verraadt zich toch de popartiest. „Ik heb een dirigent eens doodleuk horen zeggen dat hij geen rekening houdt met het publiek. Ze moesten het maar nemen zoals het komt. Vandaar dat jullie zo weinig publiek hebben, zei ik. Want daar ben ik te veel popmuzikant voor. Tijdens een festival waag je het niet een set te spelen die als een nachtkaars uitgaat. Met De Volharding kan hij overigens uitstekend uit de voeten. Ze zijn flexibel en dat heeft de zanger wel anders meegemaakt. Dirigenten die liever niks wijzigen omdat dan het hele orkest een potloodje moet pakken om een aantekening op de partituur te maken, dirigenten die een minuut voor vijven roepen:
'U heeft nog 43 seconden!'. The Lau: „Maar vergeleken met tien jaar geleden is er veel veranderd. Vooral de jonge musici in de orkesten vinden het leuk ook eens iets anders te doen." Die projecten, hij doet het omdat hij het allemaal leuk vindt. Lau: „Leuk staat bij mij hoog in het vaandel." En hij doet het dus niet om het boeiend te houden, het steeds opnieuw zingen van al die liedjes. ,,'Blauw' of 'Iedereen is van de wereld' vervelen me nog steeds niet. Het zou niet mogen vervelen. Dat probleem heb je alleen als het geen goed nummer is." Samenwerking met De Volharding was een idee van pianist Dante Oei. „Het is een vrij uniek orkest met een historie van op de barricaden staan. Dat bevalt me wel. Inmiddels heb ik heel wat ervaring met zogenaamde cross-over-projecten, ik weet hoe je dat aanpakt. We spelen werk van mij en ook vier, vijf stukken van hun repertoire. Zo snijdt het mes aan twee kanten. Maar je moet waakzaam zijn, het moet geen rariteiten-kabinet worden. Zoals het Concertgebouworkest dat eens per jaar een jazzconcert geeft. Hoor ik de bassist zeggen: 'Het swingt voor geen meter'. Zo moet je het dus niet doen."
Akkoorden
„Bij mijn muziek werkt het omdat ik schrijf met weinig akkoorden. In de snellere nummers zorg ik met de gitaar zelf voor de puls. De rest kan er omheen. Sommige arrangeurs vinden dat moeilijk, maar voor de meesten is het juist prettig. Ze kunnen alle kanten op." Dat blijkt wel als 'Blauw' voorbij komt, in de versie van De Volharding een zwaar gearrangeerd geval dat ver van het puntige origineel is komen te staan. „Ik was wel verrast", erkent The Lau. „Daar moet nog wat aan gepuzzeld worden. Maar als het botst, dan is het altijd ritmisch. Bij een lied als 'Feest' is dat gedragen koper juist op zijn plaats."
The Lau (1952) werd in Bergen geboren en doorliep het Murmellius Gymnasium in Alkmaar. Het was halverwege de jaren zeventig dat hij Bergen verliet, met het gevoel dat het 'met dat geklooi daar nooit wat zou worden'. „Maar de streek begint mij weer op te zoeken, en ik merk dat ik dat als positief ervaar."
Hij doelt op belangstelling van de media, de Alkmaarse opera 'Drebbel' waarin hij de hoofdpersoon zal spelen. Zelf zette hij op de cd van The Scene die vorig jaar uitkwam het nummer 'Alkmaar', een tekst van dichteres Neeltje Maria Min. Een kwestie van ouder worden? „0 nee, ik ben niet zo nostalgisch." (...) Lau schiet van het ene uiterste in het andere. In zijn soloprogramma 'Solissimo' was hij afgelopen maanden intiemer dan ooit. Had er ook mee te maken dat zijn ouders overleden, een halfjaar na elkaar. „Het nummer 'Lantaarn' gaat over de dood van mijn vader, maar ik had het al geschreven voor hij stierf. Ik wilde voorbereid zijn, maar toen het gebeurde verraste het me toch nog. Je denkt dat je het vantevoren ziet aankomen, maar zoiets overvalt je vanaf de zijkant. We waren op tournee, en ik heb gezegd: ik ga een liedje helemaal alleen doen. Niet als eerbetoon, het was verwerking. Ik heb 'Open' nog nooit zo hartverscheurend gezongen." Alkmaarder Ton Dijkman, de drummer van Marco Borsato, noemde hem een keer 'een soort untouchable', vertelt Lau. Onaantastbaar, popartiest die geen kwaad meer kan doen, altijd maar doorgegaan waar anderen afhaakten. „Dat is ook gevaarlijk: als je er zelf in gaat geloven dat alles wat je schrijft goed is. Mijn grootste vrees is om mijn zelfkritiek te verliezen." Zoals wanneer 12.000 mensen schreeuwen dat je geweldig bent? Grijnst: „Nee, I keep my cool..." (.....)
Mécanique has marvellous internal cohesion
De Volkskrant, 2 November 2007
Music Mécanique > The superlative sound of Orkest de Volharding gets a breathtaking exclamation mark.
AMSTERDAM The superlative is always an effective tool and Orkest de Volharding knows that well. The company has been putting the fiery force of blowing on metal tubing to the test for more than thirty years with huge success, but on Wednesday, it managed to shake the foundations of the Felix Maritis Hall even harder. It all began so mildly, six wind instruments caressing the ears with the subdued For Jim by John Luther Adams, a somewhat dissonant variation on the orchestral, primordial soup from which Wagner's Rheingold arises. Of the three premieres in this programme, adorned with the title Mécanique, two take the form of a piano concert, for which the famous fire-eater Geoffry Douglas Madge snaps to attention. In Electric Shadows by Huib Emmer, he has to tackle monolithic blocks from the ensemble, an electronic mixture of zooming organ chords and muzzy sounds of sucking and slurping. Idiosyncratic items of common ground ensure that this surly piece continually surprises us. Madge and the ensemble are significantly busier in Sunken City, a title with which the composer Kyle Gann connects Amsterdam and New Orleans. As it begins, the piece presents itself as a continuously swerving rollercoaster that intersects with Gershwin and Joplin at many spots along its course. In the second part, the satire vanishes, taking with it the zip. The piece does not live up to its half-hour length. Like Gann, the composer Philippe Bodin realises that Volharding's setup has everything to do with jazz. In his twelve-minute long Élastique, he refers repeatedly to the majestic sound of a big band. However, the way he stacks his sound is serially complex and stirring, never trivial. This gives the program a marvellous, internal cohesion, in which Bodin's piece would have served as a climax all on its own. Except that artistic leader Anthony Fiumara adds that little bit extra with his own arrangement of Short Ride In A Fast Machine by John Coolidge Adams. The piece, originally written for symphony orchestra, fits Volharding like a glove; it cusses and sighs for four minutes, adding a breathtaking exclamation mark.
Frits van der Waa
‘I wanted to write a virtuoso piece’ Composer Kyle Gann on his musical composition for Orkest de Volharding
The American composer Kyle Gann wrote the piano concert Sunken City, dedicated to the flooded New Orleans, for Orkest de Volharding.
By Jochem Valkenburg (NRC Handelsblad)
Amsterdam, 27 October 2007. 'Our government failed after Hurricane Katrina, but the people remained optimistic. I saw footage of a funeral where a jazz band was playing – it was slow but still swinging. That made an impression on me.' Orkest de Volharding commissioned the American composer, musicologist, and music journalist Kyle Gann (1955) to write a piano concert; the premiere performance is next week. He called it Sunken City, subtitled: 'Concerto for Piano and Winds, in Memoriam New Orleans.' The inundated city is staged in two parts – before and after – an implicit criticism of the tragedy Gann feels could have been avoided. This jovial man in his early fifties is known best as the author of the musicological standard work on the revolutionary composer for player piano, Conlon Nancarrow (1919-1997). Gann focuses on microtonality and the inheritance of minimalism and post-minimalism in his own music. Politics have featured earlier in Gann's work, for instance in the 'electronic cantata' about Indian reservations called Custer and Sitting Bull, but seldom as explicitly as now. However, Gann chose New Orleans mainly for musical reasons: 'I didn't want that characteristic Volharding sound and the only comparable example that appealed to me was the New Orleans jazz from the period around 1920.' His choice only became definitive once he had seen Spike Lee's moving Katrina documentary When the Levees Broke (2006), with its jazz funeral and a number of New Orleans’s public servants on a working visit to the Netherlands, this country of dikes, where Sunken City would be premiered. 'Although I know that Europeans like it when an American boy does something with jazz.' He had cherished the desire to write a piano concert for a long time. Pianist Geoffry Madge, who will play at the premiere, knew Gann mainly through his recording of Kaikhosru Sorabji’s Opus Clavicembalisticum (1929-1930), an infamous, horribly difficult work for piano. Will Sunken City be equally demanding? 'I didn't want to waste the opportunity to write something really virtuoso for once. Particularly the first part is energetic, compared to my other work.' The second part – after the devastation – is calmer. At the end, chords appear from Dead Man Blues, by the jazz legend Jelly Roll Morton who came from New Orleans (1885/1890-1941). Gann thinks his work has a bitter, open end. 'At the moment, we're so helpless in the US. I don't believe that music will provide the solution. But hopefully my work will be a signal to Europe that there are still some right-minded people walking around in the States.'
Orkest de Volharding. 30 October 2007 Rotterdam; 31 October Amsterdam; 4 November Middelburg. Info: www.volharding.com
maandag 25 september 2006 Francesconi ontbindt zijn duivels Concert. Met ,,Body Electric'' componeerde Luca Francesconi een even hevig als grimmig statement.
Als er één onuitroeibaar vooroordeel over hedendaagse klassieke muziek bestaat, dan is het wel dat die cerebraal, ja zelfs ,,moeilijk'' zou zijn. Dat zal in veel gevallen ook wel kloppen; uiteindelijk is hersenloos gedram in om het even welk genre of tijdperk geen attractieve optie. Maar de uitspraak suggereert ook dat echte opwinding in hedendaagse muziek vaak ver te zoeken is. Het orkest De Volharding en het Doelen Ensemble bewezen vrijdag in De Singel het tegendeel.
Ze pakten uit met een programma waarvan de titel, Hard Target, al suggereerde dat dit geen liefelijke deuntjes zou bevatten. De kern van het concert werd gevormd door twee vioolconcerti: Constans van Mary Finsterer uit 1995 en het gloednieuwe Body Electric van Luca Francesconi. De koperblazers van De Volharding werden hier aangevuld door enkele strijkers, houtblazers en percussionisten van het Doelen Ensemble en met violist Irvine Arditti hadden ze een door de wol geverfde topsolist bij voor wie geen enkel diabolisch trekje in een hedendaagse partituur te moeilijk is. Vuurwerk dus. Waar Finsterer nog een beetje om evenwicht bekommerd leek en de versterkte viool van Arditti door vooral lage tonen in het ensemble (met een opvallende rolvoor de twee contrabassen) liet aanvullen, ontbond Francesconi al zijn duivels. Zelden zo'n zinderend concerto meegemaakt, waar de elektriciteit zich niet enkel in de titel en in de knetterende elektrische viool, maar ook in de hele intensiteit van elk muzikaal element bevond. Body Electric is een adembenemend werk waarin golven van energie zich blijven opstapelen. Een even hevig als grimmig statement. Dit was niet alleen muziek die subliem in elkaar stak, wat ook bleek uit het heel efficiënte gebruik van muzikanten die rondom het publiek waren opgesteld, maar bood evenveel opwinding als een zuiver 'shot' adrenaline.
Het grote probleem van dit concert was de vraag met welke werken deze twee indrukwekkende vioolconcerti (met het indrukwekkendste - dat van Francesconi - uiteraard als afsluitend werk) gecombineerd konden worden. De keuzes vielen bijna onvermijdelijk een beetje minder uit. Akkoord, The Unanswered Question van Charles Ives doet het altijd goed en de strijkers die vanuit de gang van het gebouw veraf klonken, gaven er sfeer aan. De werken van Peter Adriaansz (Structure II)en Wim Laman (Vortex) vormden echter met hun intiemere focus op de klank zelf een groot contrast met de vurigheid van Finsterer en Francesconi. Het idee achter beide werken was heel gelijkaardig: alle instrumenten beginnen met dezelfde toon en van daaruit waaiert de muziek uit, maar de systematische uitwerking van Adriaansz had dan toch veel meer effect dan de brave clichés die Laman opvoerde, al duurde het werk van Adriaansz te lang om zijn idee echt boeiend te houden. Als geheel dus niet helemaal overtuigend, maar met een werk als Francesconi's Body Electric als hoogtepunt heeft niemand reden tot klagen.
Orkest De Volharding en Doelen ensemble o.l.v. Jussi Jaatinen. Werk van Ives, Laman, Finsterer, Adriaansz en Francsconi. Gehoord in Antwerpen, deSingel, 22 september.
english version Monday 25 September 2006 Francesconi turns loose his devils Concert With his ‘Body Electric’ Luca Francesconi composed a statement as vehement as it is forbidding.
If one ineradicable judgement about present-day, classical music exists, it is that it’s cerebral, indeed even 'difficult'. That will be true in many cases; ultimately, brainless nagging in any genre or epoch is an unattractive option. The judgement also suggests that often real excitement is hard to find in contemporary music. Orkest De Volharding and the Doelen Ensemble gave convincing proof of the opposite Friday in deSingel.
They let fly with a programme called Hard Target – the first hint we wouldn’t be hearing lullabies. Two violin concertos made up the core of the concert: Mary Finsterer’s Constans from 1995 and Luca Francesconi’s spanking new Body Electric. De Volharding’s brass players and a number of string instrumentalists, woodwind players and percussionists from the Doelen Ensemble had the company of violinist Irvine Arditti, a dyed-in-the-wool top soloist who does not find a single diabolical feature in a modern score too difficult. Fireworks guaranteed. Where Finsterer seemed slightly off balance and primarily the low tones in the ensemble were supplementing Arditti’s amplified violin (with a noteworthy role for the two double-bass players), Francesconi turned loose his devils. Rarely have I heard such a blistering concerto, such electricity not only in the title and in the crackling electric violin but also in the seamless intensity of each musical element. Body Electric is a breathtaking work in which waves of energy amass in a continuum. A statement as vehement as it is forbidding. This was not just music with sublime coherence, clear from the very efficient way the musicians took up places surrounding the audience, it was as exciting as a pure shot of adrenaline.
The large problem of this concert was the question with which works these two impressive violin concertos (with the most sublime – Francesconi’s – as the concluding work, of course) could be combined. The choices almost unavoidably left something to be desired. True, The Unanswered Question by Charles Ives is always a happy choice and the strings sounding from far off in the building’s corridor added atmosphere. The works by Peter Adriaansz (Structure II) and Wim Laman (Vortex), however, with their more intimate focus on the sound itself, constituted a large contrast with the fire of Finsterer and Francesconi. The idea behind both works was very like-minded: all instruments begin with the same tone and from there the music fans out, but Adriaansz’s systematic way of working this out still had much more effect than the decent clichés Laman presented, although Adriaansz’s piece lasted too long to keep his idea exciting. As a whole then, not thoroughly convincing but with a work like Francesconi's Body Electric as the climax no one has reason to complain.
Orkest De Volharding and Doelen Ensemble conducted by Jussi Jaatinen. Works of Ives, Laman, Finsterer, Adriaansz and Francesconi. Heard in Antwerp, deSingel, 22 September.
FROM OUR CORRESPONDENT MAARTEN BEIRENS
VOGELVRIJ
english version
Frankly Funny Volharding
Concert: Orkest De Volharding: Outlawed. Performance: 24/2 Korzo, The Hague. Repeats: 1/3 Amsterdam; 9/3 Den Bosch; 10/3 Rotterdam.
BY JOCHEM VALKENBURG In 'Outlawed', Orkest De Volharding plays six young Britons’ compositions, five of which are world premieres. Composer Christopher Fox was given carte blanche to invite countrymen he thought worthy of consideration. This has resulted in a surprisingly light programme that is now and then frankly funny. The most idiosyncratic piece is Andrew Hamilton’s intro, Music for people who like nature. The music works like a static panel in which musical trapdoors keep opening that abruptly close again. The base is a constant chorale of a few notes; behind the trapdoors are hunting-horns (ta-chaa, ta-chaa, ta-chaa), sounds of nature, and later on, a few jazz notes. The total piece, despite its constancy, sounds strictly regulated, yet it remains exciting. Joanna Bailie creates variations on breathing patterns in Intermittence (2005). Regularly alternating loud and soft chords sound fragile, delicate, like a room full of satisfied, snoring, cuddly monsters. Bailie has clearly taken De Volharding’s renowned, loud-copper sound the least seriously. Successfully: she wrote the most exciting piece of the evening. The continuously repeated chords of Laurence Cranes’ Ulrich 1 and 2 (an ode to racing cyclist Jan Ulrich) sound like deep breathing as well. The harmony resembles Satie to some extent and it sounds like a contemporary Gymnopédie. Michael Wolters’ Concerto Grosso is a slightly twitching wink at the title’s old Baroque forms, in which the musicians have to walk back and forth too much. The others, Fox himself and Richard Ayers, who is better known here, created voluble Volharding pieces with chords of double cream, trombones like battle-planes, and blatting trumpets. In this programme, De Volharding can delight in being itself: taut but off the cuff. The resolutely directing Jussi Jaatinen is seen as a normal ensemble member – but you have to search for his name on the programme. More than anything, the ensemble radiates a huge sense of fun. Out of the corner of your eye you keep thinking they all have a beer under their music stands, but there’s not one to be found.
|
|
|